O.
L. Vrouw van de Passie
Deze icoon is in het Westen bekend onder de naam O.L. Vrouw
van Altijddurende Bijstand. Aan de icoon van de O.L. Vrouw van de Passie
ligt een Griekse lofzang ten grondslag: Tetrastichia. Zij
luidt als volgt: Degene die eens aan de Allerheiligste vreugde aankondigde
(de engel Gabriël) toont haar het toekomstige teken van het lijden
en Christus, werkelijk een sterfelijk mens, wordt angstig bij de aanblik,
uit vrees voor de dood.
Bij deze lofzang denken we aan hetgeen Paulus schreef in
zijn brief aan de Hebreeën: In de dagen van zijn sterfelijk
leven heeft Christus onder luid geroep en geween gebeden en smekingen
opgedragen aan God, die hem uit de dood kon redden. Hij werd om zijn vroomheid
verhoord: Hoewel Gods Zoon, heeft Hij door zijn lijden gehoorzaamheid
geleerd; en tot volkomenheid gebracht en door God uitgeroepen tot hogepriester
naar de wijze van Melchisedek, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak
geworden van een eeuwig heil (Hebr. 5: 7-10).
De Griekse naam van deze icoon luidt Arnolintos, de Allereerste,
de Onbevlekte, welke naam zinspeelt op de eerste woorden van het Tetrastichia.
De Russische naam is Strastnaja, Moeder Gods van het Lijden. Deze icoon
kende niet de afwijkingen die de aandacht van het wezenlijke min of meer
afleiden, gelijk dit het geval is met de icoon van O.L. Vrouw van Altijddurende
Bijtand. Na de val van Constantinopel in 1453 verloor de Griekse iconenschilderkunst
haar centrum en veel kunstenaars gingen naar Kreta dat tot Venetië
behoorde. Zo kwamen deze schilders in contact met de westerse en speciaal
met de Italiaanse wijze van schilderen.
De icoon van de O.L. Vrouw van de Passie is vooral bekend
geworden door Andreas Rico. Er bestaat een hele reeks van iconen van de
Paleologische tijd (de laatste dynastie van het Byzantijnse rijk en het
begin van het verval), die allemaal stammen uit de 15de en 16de eeuw en
aan Rico, zijn zoon, zijn werkplaats of zijn navolgers worden toegeschreven.
Rico toont in zijn iconen zijn voorliefde voor het zuiver
Byzantijnse type. Hij schilderde bijvoorbeel het gelaat van Maria in een
weergaloze schoonheid, maar tegelijkertijd drukt hij in haar smartelijke
blik het echt menselijke, moederlijke voorgevoel uit van het toekomstige
lijden van haar Kind. Aan weerskanten van Maria heeft Rico een engel afgebeeld,
rechts de engel Gabriël, die met bedekte handen het kruis toont en
links Michaël met de lans en de rietstengel met spons , die in een
vat geplaatst zijn. Het kind laat van schrik de sandaal van zijn rechtervoet
glijden en drukt zich angstig tegen zijn Moeder aan, terwijl het met beide
handen de hand van Maria vastgrijpt. Dit menselijk karakter is duidelijk
aan westerse invloeden toe te schrijven. De school van Kreta stond immers
sterk onder invloed van Italiaanse, met name Venetiaanse invloeden. Men
spreekt dan ook van Italo-Byzantijnse kunst.
De icoon die in Rome als genadebeeld vereerd wordt, draagt
de titel Mater de perpetuo succurso, Moeder van Altijddurende
Bijstand. Onder invloed van de Westerse kunst dragen Moeder en Kind
kronen op het hoofd. Deze zijn in strikte zin tegen de iconografische
principes, die geen afleiding van de aandacht van het wezenlijke toelaten.
ook de originele kleuren van het groene onderkleed en het rode himation
met haar symbolische betekenis dat bij Maria de mensheid met de godheid
bekleed is, zijn hier verloren gegaan. Waarschijnlijk is deze icoon een
eigenhandig werk van Andreas Rico. Ze is gedateerd rond het midden van
de 15de eeuw. In 1498 kwam de icoon naar Rome ; ze bevindt zich nu in
de Redemptoristenkerk San Alfonso. In 1866 werd de icoon grondig gerestaureerd
en, jammer genoeg sterk overschilderd, waardoor ze niet meer dat mooie,
zachte koloriet heeft van de oude iconen.
Bron: Theotokos - Iconen van de Moeder Gods - Theologie
en Symboliek van de Iconen door broeder Louis Bastiaansen
|