De
Moeder Gods op iconen
Over het leven van Maria, de Moeder van God, zoals zij in de orthodoxe
kerk wordt genoemd, lezen wij vooral in het evangelie van Lucas. Reeds
in de eerste eeuwen van het christendom nam Maria een bijzondere plaats
in, in de harten van de mensen. Deze verering werd nog gestimuleerd
door de kerkvergadering in Efeze. Tijdens deze vergadering in 431 kreeg
Maria de eretitel Theotokos: zij die God baarde.
Op iconen draagt Maria meestal een blauw onderkleed. Blauw is het symbool
van de menselijkheid. Haar bovenkleed is rood/purper/bruin. Rood is
de kleur van het goddelijke. Maria werd als mens bekleed met het goddelijke.
Bij de Christus-iconen is dit precies omgekeerd.
De Moeder Gods iconen worden verdeeld in zeven hoofdtypen. De eerste
vier hoofdtypen zouden we de oertypen kunnen noemen. Zij verbeelden
op een heel bijzondere manier het moederschap van Maria. Een van deze
vier oertypen, waartoe ook Korsanskaja behoort is:
De Moeder Gods Eleousa, de Tedere, de Barmhartige
Bij het Eleousa type zit het kind op een van de armen van Maria. Het
kind slaat zijn arm rond haar hals en drukt zijn gezicht tegen haar
wang. Maria neigt haar hoofd naar het kind. Meestal kijkt ze bedroefd,
alsof ze al weet wat haar kind zal overkomen.
Het Eleousa type straalt een intieme sfeer uit. Deze iconen laten zien
hoe vreugde en geluk, verdriet en bewogenheid bij moeder en kind horen.
In geen enkele icoon is deze relatie zo nadrukkelijk uitgebeeld dan
in dit type iconen. Door deze bijzondere sfeer zijn de Eleousa iconen
zeer geliefd.
De Moeder Gods van Korsun
Volgens een legende is deze icoon geschilderd door de evangelist Lukas
en is zij lange tijd in Efeze bewaard. Van ongeveer 600 Maria-iconen
wordt beweerd dat ze door de evangelist Lukas geschilderd zouden zijn.
Deze legende is ontstaan in de 6de eeuw, maar de oudste documenten hierover
stammen uit de 8ste eeuw. De eerste keer dat de Moeder Gods van Korsun
vermeld wordt is in 1239 in de kathedraal van Toropec bij Pskow.
Keizer Manuël I (1143 - 1180) schonk de icoon aan vorstin Eufrosyne
van Polozk. In 1239 trouwt haar dochter met Aleksander Newski en zij
krijgt deze icoon als bruidschat mee. Omdat de icoon van de havenstad
Cherson (=Korsun) op de Krim vlak bij Sebastopol naar het noorden van
Rusland was gekomen, kreeg zij de naam Moeder Gods van Korsun.
De oudst bewaarde icoon van dit type uit de 13de eeuw is te bewonderen
in het museum in Wologda. Ook in het museum van Recklinghausen wordt
een type van deze icoon bewaard. Vooral in de 16de - 18de eeuw geniet
de tedere afbeelding van de Moeder Gods van Korsun een grote verering
in heel Rusland. Ook in het Westen wordt deze lieflijke icoon vereerd.
Iconografie
Bij deze icoon zijn bijna alleen het hoofd en de handen van Moeder
en Kind afgebeeld. De Moeder houdt het hoofd van het Kind van onderen
met beide handen omsloten en drukt het tegen zich aan, terwijl het Kind
met de linkerhand naar het maforion (een hoofddoek over hoofd en schouders)
van Maria grijpt en met de rechterhand de schriftrol omhoog houdt en
tegen de kin van zijn moeder drukt. Jezus heeft daarbij zijn wang tegen
die van zijn moeder gevlijd. Het opvallende bij de iconen van de Moeder
Gods van Korsun is de gebogen pink van de Moeder Gods. Er zijn echter
verschillende varianten van deze icoon: de pink van de Moeder Gods is
niet altijd gebogen en in plaats van de schriftrol maakt het Kind een
zegenend gebaar. Deze variant is hier geschilderd. Veel van deze iconen
zijn echter verloren gegaan.
De gelaatstrekken van Moeder en Kind zijn bijzonder mooi, teder en zeer
expressief; ze zijn realistisch geschilderd en hebben een zeer plastische
vormgeving. Het gelaat van het Kind is kinderlijk van uitdrukking, anders
dan bij de meeste iconen van Moeder Gods en Kind. Het wit in de ogen
van de Moeder maakt haar heldere blik zeer mooi.
De letters boven betekenen Moeder Gods (meter theou) en
rechts Jezus Christus.
Bron: Fascinatie & Werkelijkheid - ICONEN - Konrad Onasch,
Annemarie Schnieper - lannoo KOK.
De eigentijdse icoon is in 2000 geschreven met eitempera
en pigmentpoeders door Ank Landwier-Boonekamp op een lindehouten paneel
van 16,3 x 21 x 2,6 bedekt met povoloka en levkas.